Blog 2: Hoe echt is een documentaire eigenlijk?

Een paar jaar geleden keek ik naar een documentaire over André Hazes. Daarna las ik een interview met de regisseur. Daarin vertelde hij dat André tijdens de opnames een nieuwe auto had gekocht met zijn vrouw. Alleen was er één probleem: de filmploeg was daar niet bij.

De regisseur vond het een mooie scène voor de documentaire en besloot daarom iets opmerkelijks te doen. Een week later werd dezelfde auto opnieuw gekocht, maar nu mét camera’s erbij. Toen ik dat las, voelde ik me als kijker toch een beetje bedrogen. Dat was geen spontane gebeurtenis meer. Het was een reconstructie. Nagespeeld. En ik weet nog dat ik dacht: dat ga ik nooit doen. Tenminste, dat dacht ik toen…

In het Paasweekend van 2014 stond ik om 05.24 uur ’s ochtends met mijn cameraman en geluidsman voor een camper op een camping in Friesland. De dag ervoor hadden we de 93-jarige Map gevolgd. Ze was ruim 300 kilometer gereden om een weekend door te brengen met andere Alleenstaande Kampeerders.

Toen we ’s avonds nog wat sfeerbeelden maakten, viel me iets op. We hadden helemaal geen beelden van Map die ’s morgens haar camper uitkwam. Geen groot gemis voor de meeste kijkers waarschijnlijk, maar ik vond het precies zo’n klein moment dat iets vertelde over haar leven. Een vrouw van 93 die zelfstandig met haar camper op pad gaat en ’s ochtends met haar rollator naar het toiletgebouw loopt.

Dus gingen wij vroeg naar bed en zetten de wekker op vijf uur. Om half zes stonden we al klaar voor haar camper. Het was koud. Heel koud. Map sliep nog. Een half uur later ging er een lampje aan. Mooi, dachten wij. We zijn niet voor niets zo vroeg opgestaan. Maar vervolgens gebeurde er niets.

Pas tegen zeven uur kwam ze naar buiten. Later bleek waarom. Er stonden al ruim een uur drie mannen voor haar camper te wachten. Ze was doodsbang geweest. Achteraf gezien was dat natuurlijk ontzettend dom van ons. Tegenwoordig zou ik dat nooit meer doen. Ik zou een afspraak maken. Of accepteren dat ik dat shot niet krijg.

Maar daarmee kom je wel bij een interessante vraag. Stel dat ik haar had gevraagd om tien minuten later nog een keer uit haar camper te lopen. Was dat dan nep? Dat is het lastige aan documentaires. Je probeert de werkelijkheid vast te leggen, maar alleen al door aanwezig te zijn verander je die werkelijkheid.

De dag dat ik kom filmen wordt de zolder opgeruimd. Niet omdat iemand dat toevallig die ochtend van plan was, maar omdat er een cameraploeg komt. Een telefoontje wordt nét op dat moment gepleegd. Een gesprek begint opnieuw omdat iemand iets niet goed verstaanbaar zei. Soms gebeurt iets spontaan. Soms help je een klein beetje. Waar ligt dan de grens? Want zelfs als je helemaal niets regisseert, ben je nog steeds een invloed. Er staat een camera op iemand gericht. Er hangt een microfoon boven het hoofd. Soms loopt er ook nog een regisseur rond. Dat lijkt me behoorlijk intimiderend.

Toch hoor ik na afloop vaak het tegenovergestelde. Mensen zeggen dat ze na een tijdje nauwelijks meer doorhadden dat er gefilmd werd. Dat is misschien wel het grootste compliment dat je als documentairemaker kunt krijgen.